Jeugd van toen: Renderloo
Renderloo: Zacht klotst de pap…
We staan hier nu een dag op de camping en ik wordt steeds onrustiger. Het moet hier toch ergens zijn. Gister, bij aankomst, kwamen er al vaag enkele herinneringen bij me op. Ik maakte mijn vrouw, zoals we gewend zijn, deelgenoot van mijn vermoedens en verlangens, maar ze kon me niet begrijpen. Ze heeft er ook niets mee, ze is er zelf nooit geweest. Ik wel en waarschijnlijk daardoor bekroop mij dat gevoel meteen toen we hier in de buurt kwamen. Daarom maak ik me deze morgen op om alleen op pad te gaan. Ik moet het weten. Ik kan me er niet meer aan onttrekken. Waar is nou precies dat huis en waar waren de kampterreinen. Al is het dan vijftig jaar geleden, er moet toch iets van terug te vinden zijn!

Ik trek mijn wandelschoenen aan en gewapend met een kaart en mijn fototoestel ga ik op pad. De campingeigenaar wijst me op de kaart waar de Renderklippen zijn, en van daaruit bepaal ik waar zo ongeveer het huis moet staan. Dat moet mijn beginpunt worden; van daaruit kan ik misschien nog restanten van de kampterreinen terugvinden. Het wordt een zoektocht van anderhalf uur, dan heb ik eindelijk na veel vragen en zoeken huize Renderloo teruggevonden. Het is niet gemakkelijk te benaderen want het staat aan het einde van een pad met een bord waar met grote letters “Privéterrein” op staat. Ik trek me daar maar niets van aan en probeer het huis zo dicht mogelijk te benaderen om een foto te maken. Dat lukt maar gedeeltelijk. Ik wil de bewoners geen schrik aanjagen. Stel je voor: staat daar zo’n oude knakker van dik in de zestig hun huis te fotograferen. Ik vind door het bos de achterkant van het huis en het pad dat naar de kampterreinen liep. Nu moet het toch lukken.
Al lopend zie ik mezelf weer achter de etenskar met de grote pannen met daarin de warme hap voor het middagmaal. Een keer in de kampweek was dat je lot als je corvee had. Vlagen van liedjes komen terug in mijn brein. Liedjes uit de groene zangbundel ‘Blijde Geluiden’, ten dienste van het NBJB.-Jeugd- en Kampwerk. Onder het neuriën van ‘Do Lord’ vervolg ik mijn weg. Dan kom ik bij een breed pad dat ik over moet steken. Ik herinner me dat vaag en denk aan de overkant het goede bospaadje weer in te slaan. En ja hoor, terwijl in mijn hoofd het lied ‘Geel staat het koren op het veld’ klinkt, kom ik bij een open plek. Dit moet het veld zijn waar de oudere jeugd kampeerde, dat kan niet anders. Ik maak wat foto’s en ga snel verder.
Dan een open plek waar warempel de waterkraan nog staat en nog intact is ook. De kampvuur plaats, waar we een keer in de kampweek, als het niet te droog was, gezamenlijk met de oudere jeugd kampvuur hadden. Ik schiet bijna vol en hoor weer het niet in de officiële bundel opgenomen lied ‘Zacht klotst de pap tegen mijn buikvlies’ en de daarop volgende jel: Hak-ze-tot-moes. Ik ga verder, maar moet dan tot mijn teleurstelling ontdekken dat de plek waar de jonge jeugd kampeerde nauwelijks terug te vinden is. Waarschijnlijk is dit een helemaal met heide begroeide en niet meer te betreden plek tegen de Renderklippen.
Toch ben ik enthousiast als ik na twee uur terug kom bij mijn vrouw. Een sms’je naar mijn twee broers in Friesland resulteert in een reactie: “Dat willen wij ook wel weer eens zien” De uitnodiging is snel geregeld, en ’s middags ben ik alweer op pad. Nu niet alleen, maar met mijn broer en zijn vrouw. Ze vinden het leuk, maar herinneren zich te weinig om mijn vermoedens te kunnen bevestigen. Ze zijn ook maar één keer op kamp geweest. Ze brengen daarom mijn stellige zekerheid niet aan het wankelen.
Als u ook nog eens terug wilt naar Renderloo ben ik u graag tot gids - wij blijven hier nog wel even want we hebben inmiddels een seizoenplek op de camping geregeld - alleen, waag het niet tegen me te zeggen dat mijn waarneming niet klopt, want deze ervaring laat ik me niet graag weer ontnemen.
Ynze de Boer
*** Bekijk hier meer foto's van Renderloo uit de eerste helft van de jaren zestig. ***
